Het kleine prinsesje
Ik sta langzaam op, en sluit het raam. De wind waaide al lang in mijn kamer, en er liggen al bladeren van de bomen in mijn kamer, die elke keer weer een spel proberen te spelen met elkaar, maar ik verhinder het. Ik had geen zin in spelletjes. Ik kijk naar de bladeren, ze lagen allemaal op een klein hoopje, alsof ze elkaar warm moesten houden. Het zal wel opgeruimd worden, ik keek er niet meer naar. Het leven sloot zich af, en ik moest denken aan de kilte in het huis, en hoopte eigenlijk dat de bladeren zich ineens om mij heen sloten. Dat ze mij de warmte gaven die ik hier mis…
Ik ga op mijn bed liggen, kijk naar al de jurken in mijn kast. Het zuigt allemaal aan mij, alles trekt, alles heeft zijn mooie dingen, en toch ben ik niet blij. Een ander zal erg jaloers zijn op mijn leven, al de dingen die ik heb, en alles vliegt me voorbij nu.
Als ik naar beneden ga zal ik daar een chaos vinden, moeder die alles door elkaar gooit, vader die in de chaos probeert koning te zijn, en ik zal vergeten worden. Niemand zal een arm om mij heen slaan, niemand zal denken aan het kleine prinsesje, dat daar zo zielig door de deur kijkt naar al de dingen die gebeuren, die ze niet snapt, die ze ook niet hoort te snappen.
Ik blijf boven, durf het niet aan. Als ik naar buiten kijk zie ik sneeuwvlokken, en ik krijg de behoefte om er gewoon een te vangen, hem op te bergen in mij, en hem te koesteren, hij was kouder dan ik. Het waaide hard buiten, de luiken klapperden tegen het raam. De eik kon het niet meer houden, hij gaf het op. En even speelde ik met de gedachte, gewoon al die schijn op te geven, gewoon te proberen de mensen te laten zien dat ik mezelf eigenlijk niet ben, dat ik hopeloos verloren ben geraakt in leugens, en tussen de leugens door mijn eigen waarheid niet meer zie.
Zachtjes loop ik de trap af, er kraakt wel even iets, maar toch hoort niemand het. Ik hoor geschreeuw, en ren snel de deur door, weg van dit alles. Een jas haal ik nog snel van de kapstok.
Ik loop, en eigenlijk weet ik de weg hier niet eens, maar ik loop gewoon. Zolang ik loop, zal het allemaal normaal blijven, maar zodra ik de deur weer open doe, als ik tenminste weer thuis ben….
De laag sneeuw werd groter, en ik zakte langzaamaan weg. Toch blijf ik lopen, en ik bedenk me dat het wel therapie lijkt, om mijn pijn weg te halen moet ik gewoon kilometers lopen. Het wordt heel langzaam donker, de sneeuw lijkt de zonnestralen nog vast te houden, en de warmte van de zon te plagen met hun kou. Ik kijk naar boven, en zag heel klein al de eerste ster. Huiverend lachte ik, hij kon het, hij doorbrak als eerste de donkere nacht, als klein sterretje kon hij het, en ik niet. Ik als groot prinsesje.
Ik weet niet meer waar ik ben, wanhopig kijk ik om mij heen, en schrik. Er is niets te zien, behalve de donkere bomen, die kil lijken, en de bladeren die in het donker ook niets meer te bieden hebben. Ik probeer een pad te zoeken, en na een lange tijd vind ik iets. Langzaam loop ik een kant op, en na een nog langere tijd zie ik een klein lampje, aan het eind van de weg. De weg stopt daar gewoon, en er staat een heel klein blokhutje. Het is niets vergeleken met mijn grote paleis, maar huiverend klop ik aan. Deze mensen, zullen die mij helpen?
De deur wordt opengedaan, en een stem vraagt hard: “Wat is er zo laat?”. Ik word stil. Ja, wat is er eigenlijk. Ik kan het niet meer binnenhouden, en begin heel zachtjes te huilen, niemand kan het eigenlijk horen. De man ziet denk ik een traan vallen, want ineens slaat hij zijn armen om mij heen, en helpt mij naar binnen. Hij zet mij op een stoel, en roept zijn vrouw erbij. Zij gaat even zitten, en kijkt me in de ogen. Ze kijkt precies zoals mijn moeder kijkt, en ik schrik terug. Ik wil niet aan mijn moeder en vader herinnerd worden, maar toch, ik zie ineens de warmte die haar ogen uitstralen, precies zoals mijn moeder ook kon… Toen alles nog was zoals het hoorde.
De vrouw vraagt wie ik was, en ik vertel het, dat ik het prinsesje was, en dat ik in dat grote kasteel woon. Ze lacht, en zegt het tegen haar man. Ook hij vindt het grappig, en opeens gaat er een luikje open. Een hoofd komt erdoor tevoorschijn, kijkt mij aan en schrikt.
Het roept: “Mama, zij is het kleine prinsesje, u weet wel, die van het einde van de laan”.
Ik kijk verbaasd. Ik herken het hoofd helemaal niet. En het hoofd kent mij wel! De moeder zegt dat het hoofd weer moet gaan slapen, maar het kruipt al door het luikje, en schiet heel snel in zijn kleren, want aan het hoofd zit een jongen vast. Ik zeg heel blij hoi, want ik ken de jongen. Hij loopt altijd onder mijn balkon door, als ik daar sta te dromen over wat er in het bos zou zijn. De vader vindt het allemaal lang genoeg duren, en brengt me thuis.
Als ik de deur opendoe, zie ik mijn moeder op de trap zitten. Ze huilt, en ik ren op haar af. Ze slaat langzaam haar armen om mij heen, en als ik in haar ogen kijk zie ik verdriet en blijdschap tegelijk.
En morgen zal ik op mijn balkon staan, want dan zie ik misschien, heel misschien dat arme jongentje uit het blokhutje nog!

Reageer