Huiveren

•september 2, 2008 • Laat een reactie achter

Ik huiverde. Ik liep buiten, en er waaide een ijskoude wind. Langzaam liep ik door de straat, keek naar mensen die misschien iets wilden geven.

Mijn jas was kapot. Er zaten grote gaten in, en ik spaarde nu geld voor een nieuwe jas. Ik had al 5,76. Waarom gaven de mensen altijd hun kleingeld? Mijn zakje met geld was vol, alleen zat er bijna niets in. En ik moest ook nog wat te eten zien te krijgen vandaag.

Ik sloeg de hoek om, liep het victoriaanse bruggetje over, en kwam in het centrum. Je zag al de mensen naar mij kijken, wijzen, lachen. Niemand dacht erover om mij even een jas te geven, even mee naar huis te nemen en daar wat eten te krijgen, of even te mogen genieten van de warmte van het huis. Mensen liepen voorbij in dure merkkleding. De merken kon ik nog, van vroeger toen ik dat zelf nog droeg. Nu, nu ben ik blij als ik op een rommelmarkt mijn kleren kan kopen, dat is voor mij merkkleding geworden.  Ik vraag sommige mensen wat. Allemaal hebben ze een smoesje.

“Sorry, ik heb even geen tijd, een andere keer ok?”

“Ik heb net al mijn geld uitgegeven, dit is alles wat ik heb”(geeft nog 20 cent)

“Nee, ik geef niets. Wie weet koop je er drugs voor”

Vroeger, vroeger waren de mensen nog wel aardig tegen mijn soort. Ze zorgden voor ons, hadden begrip voor ons.

Ze maakten beesten van ons. Alsof wij er iets aan konden doen. We werden uitgescholden, we werden verdacht. Alsof we nog niet genoeg ellende hadden.

Snapten die mensen ons niet?

Het is zo simpel.

Langzaamaan ging ik naar de supermarkt. Nog even wat kopen om vanavond te eten. Het was tenslotte een speciale avond, ook ik wilde nog even genieten.

Ik kocht een pak koeken, en ook nog een fles cola. In totaal was ik 1 euro en 7 cent kwijt. Dus had ik nog maar 4 euro 69 over. Zelfs nog minder dan toen ik vandaag begon.

Die jas, die zou er nooit komen.

Ik moest een jas hebben.

Huiverend liep ik verder, naar het plekje, ons plekje. Ik zocht mijn stukje op, at wat van de koeken, maar bewaarde wat voor morgen, wie weet, had ik morgen meer geld. Kon ik de jas kopen. Ik sloeg mijn deken om me heen, en al draaiend, in de kou, viel ik in slaap.

Het kleine prinsesje

•september 2, 2008 • Laat een reactie achter

Ik sta langzaam op, en sluit het raam. De wind waaide al lang in mijn kamer, en er liggen al bladeren van de bomen in mijn kamer, die elke keer weer een spel proberen te spelen met elkaar, maar ik verhinder het. Ik had geen zin in spelletjes. Ik kijk naar de bladeren, ze lagen allemaal op een klein hoopje, alsof ze elkaar warm moesten houden. Het zal wel opgeruimd worden, ik keek er niet meer naar. Het leven sloot zich af, en ik moest denken aan de kilte in het huis, en hoopte eigenlijk dat de bladeren zich ineens om mij heen sloten. Dat ze mij de warmte gaven die ik hier mis…

Ik ga op mijn bed liggen, kijk naar al de jurken in mijn kast. Het zuigt allemaal aan mij, alles trekt, alles heeft zijn mooie dingen, en toch ben ik niet blij. Een ander zal erg jaloers zijn op mijn leven, al de dingen die ik heb, en alles vliegt me voorbij nu.

Als ik naar beneden ga zal ik daar een chaos vinden, moeder die alles door elkaar gooit, vader die in de chaos probeert koning te zijn, en ik zal vergeten worden. Niemand zal een arm om mij heen slaan, niemand zal denken aan het kleine prinsesje, dat daar zo zielig door de deur kijkt naar al de dingen die gebeuren, die ze niet snapt, die ze ook niet hoort te snappen.

Ik blijf boven, durf het niet aan. Als ik naar buiten kijk zie ik sneeuwvlokken, en ik krijg de behoefte om er gewoon een te vangen, hem op te bergen in mij, en hem te koesteren, hij was kouder dan ik. Het waaide hard buiten, de luiken klapperden tegen het raam. De eik kon het niet meer houden, hij gaf het op. En even speelde ik met de gedachte, gewoon al die schijn op te geven, gewoon te proberen de mensen te laten zien dat ik mezelf eigenlijk niet ben, dat ik hopeloos verloren ben geraakt in leugens, en tussen de leugens door mijn eigen waarheid niet meer zie.

Zachtjes loop ik de trap af, er kraakt wel even iets, maar toch hoort niemand het. Ik hoor geschreeuw, en ren snel de deur door, weg van dit alles. Een jas haal ik nog snel van de kapstok.

Ik loop, en eigenlijk weet ik de weg hier niet eens, maar ik loop gewoon. Zolang ik loop, zal het allemaal normaal blijven, maar zodra ik de deur weer open doe, als ik tenminste weer thuis ben….

De laag sneeuw werd groter, en ik zakte langzaamaan weg. Toch blijf ik lopen, en ik bedenk me dat het wel therapie lijkt, om mijn pijn weg te halen moet ik gewoon kilometers lopen. Het wordt heel langzaam donker, de sneeuw lijkt de zonnestralen nog vast te houden, en de warmte van de zon te plagen met hun kou. Ik kijk naar boven, en zag heel klein al de eerste ster. Huiverend lachte ik, hij kon het, hij doorbrak als eerste de donkere nacht, als klein sterretje kon hij het, en ik niet. Ik als groot prinsesje.

Ik weet niet meer waar ik ben, wanhopig kijk ik om mij heen, en schrik. Er is niets te zien, behalve de donkere bomen, die kil lijken, en de bladeren die in het donker ook niets meer te bieden hebben. Ik probeer een pad te zoeken, en na een lange tijd vind ik iets. Langzaam loop ik een kant op, en na een nog langere tijd zie ik een klein lampje, aan het eind van de weg. De weg stopt daar gewoon, en er staat een heel klein blokhutje. Het is niets vergeleken met mijn grote paleis, maar huiverend klop ik aan. Deze mensen, zullen die mij helpen?

De deur wordt opengedaan, en een stem vraagt hard: “Wat is er zo laat?”. Ik word stil. Ja, wat is er eigenlijk. Ik kan het niet meer binnenhouden, en begin heel zachtjes te huilen, niemand kan het eigenlijk horen. De man ziet denk ik een traan vallen, want ineens slaat hij zijn armen om mij heen, en helpt mij naar binnen. Hij zet mij op een stoel, en roept zijn vrouw erbij. Zij gaat even zitten, en kijkt me in de ogen. Ze kijkt precies zoals mijn moeder kijkt, en ik schrik terug. Ik wil niet aan mijn moeder en vader herinnerd worden, maar toch, ik zie ineens de warmte die haar ogen uitstralen, precies zoals mijn moeder ook kon… Toen alles nog was zoals het hoorde.

De vrouw vraagt wie ik was, en ik vertel het, dat ik het prinsesje was, en dat ik in dat grote kasteel woon. Ze lacht, en zegt het tegen haar man. Ook hij vindt het grappig, en opeens gaat er een luikje open. Een hoofd komt erdoor tevoorschijn, kijkt mij aan en schrikt.

Het roept: “Mama, zij is het kleine prinsesje, u weet wel, die van het einde van de laan”.

Ik kijk verbaasd. Ik herken het hoofd helemaal niet. En het hoofd kent mij wel! De moeder zegt dat het hoofd weer moet gaan slapen, maar het kruipt al door het luikje, en schiet heel snel in zijn kleren, want aan het hoofd zit een jongen vast. Ik zeg heel blij hoi, want ik ken de jongen. Hij loopt altijd onder mijn balkon door, als ik daar sta te dromen over wat er in het bos zou zijn. De vader vindt het allemaal lang genoeg duren, en brengt me thuis.

Als ik de deur opendoe, zie ik mijn moeder op de trap zitten. Ze huilt, en ik ren op haar af. Ze slaat langzaam haar armen om mij heen, en als ik in haar ogen kijk zie ik verdriet en blijdschap tegelijk.

En morgen zal ik op mijn balkon staan, want dan zie ik misschien, heel misschien dat arme jongentje uit het blokhutje nog!

03 – Het briefje

•september 2, 2008 • Laat een reactie achter

Hij keek naar de barman, probeerde de gedachten van die man te lezen. Hij leek wel van steen, en alleen toen hij aan hem een nieuw drankje vroeg gaf hij antwoord. De man bleef zitten, en dronk verder, hij wist dat hij dit café die nacht niet meer kon verlaten, het was te laat.

De deur achter de bar kraakte even, en de barman keek, en ging naar binnen. De man was nu helemaal alleen in de bar, en keek eens rond. Het was allemaal een beetje… Stoffig. Overal leek wel een laag op te liggen, behalve op de tafeltjes in het midden, waar nog bierglazen stonden die zelfs nog gedeeltelijk gevuld waren. Het rook best vreemd, en aan de muur hingen een paar foto’s. Hij liep er langzaam op af, en bekeek ze. Hij zag de barman, stukken jonger dan hij nu was, die lachte, en een klein meisje bij hem, met blonde haartjes. Het opschrift was: Ik en Lisa, 1985. Het was nu 2005, wat betekende dat de vrouw, tenminste, hij dacht dat het de vrouw was, nu minstens 20-25 moest zijn. Hijzelf was precies 25, en hij vond het een prettig gevoel dat hij waarschijnlijk net ouder was dan haar.

De barman kwam weer terug, en schonk eindelijk zijn drankje in. Hij liep langzaam terug. Bij het nieuwe drankje lag een klein, opgevouwen papiertje. Hij vouwde het langzaam open. Er stond, met rode lippenstift, geschreven: “Kom straks na 12 uur naar mij toe”.

Hij staarde verbaast naar het briefje, en vroeg zich af wat dit te betekenen had. Het was duidelijk afkomstig van Lisa, die tenslotte de enige vrouw was die hij hier gezien had, en de felrode lippenstift was ook erg duidelijk. Alleen, ze had hem eigenlijk weggegooid, ze liep weg midden in hun gesprek. Hij voelde zich onzeker worden, en verloor ineens de grip op zijn kruk, en viel achterover. Hij krabbelde overeind, en schudde zijn broek, die nat was van zijn drankje, die mee was gevallen. Het glas was, toevallig, op zijn been gevallen en daardoor niet kapot. Hij verontschuldigde zich, zette het glas op de bar en liep naar de wc. Daar aangekomen keek hij in de spiegel, die gebarsten was. In de barst zaten allemaal kleine visitekaartjes, alsof ooit iemand daarmee begonnen was, en iedere bezoeker er zijn visitekaartje instak. Hij keek naar de eerste. Lisa Macdough Special Research manager. Verder was het kaartje helemaal wit.

Hij liep weer terug, en wachtte op zijn kruk tot het 12 uur was geweest. Daarna liep hij naar de barman, en zei, ik moet met Lisa praten. De barman keek hem aan, stil vorsend. Een minuut lang bleef hij stil staan kijken. Toen ging hij opzij, en zei dat hij de derde deur links in moest gaan. Hij opende de deur, en zag de vrouw aan een grote donkere tafel zitten. Ze rookte, en hij zag allemaal rook langzaam uit haar mond komen en naar boven gaan. Ze knikte naar een stoel, en zei schor dat hij eens moest gaan zitten. Ze bood hem een sigaret aan, maar hij weigerde, hij was blij dat hij eindelijk was gestopt. Ze keek hem even aan, en trok toen diep aan haar sigaret, blies de rook in een keer uit, en zei toen: “ Waarom zei je net dat ik alleen was?”. De man keek op, en zat even te denken, waarom had hij dat gezegd… Hij antwoordde: “Omdat ik dacht dat jij ook alleen was. Is het niet zo dan?”.

Zij keek hem eventjes aan, trok weer aan de sigaret en vertelde hem haar verhaal. Toen ze klaar was spraken ze nog eventjes met elkaar, waarna hij vertrok naar zijn kamer, die hij bij de barman had geregeld.

Hij lag stil in bed, en keek omhoog naar zijn plafond, hij dacht na over haar verhaal, hoe het eigenlijk leek op zijn eigen leven. Hij schrok er zelfs van, het leek er teveel op, het leek hetzelfde leven, alleen dan door een vrouw geleefd.

Ze had haar verhaal afgesloten met het gevoel wat hij net ervoor had gehad in het café…

Hij en zij voelden zich allebei…. Verlaten en alleen.

02 – Nummer 1

•september 2, 2008 • Laat een reactie achter

Hij stond langzaam op, en keek de kamer rond. Het was een witte kamer, en er hing niets aan de muren, behalve een oude klok. Hij vroeg zich af of de klok nog wel liep, want hij hoorde niets tikken. Hij bleef even kijken, en zag toen de wijzers verspringen. De tijd die het aangaf was 20 over 12. Nacht of dag, hij wist het niet….

Hij draaide zich om, en keek naar de deur. Hij wist het niet, zou hij hem proberen, of zou hij rustig wachten tot er iets gebeurde. Hij had geen honger, en voelde geen pijn, dus hij was niet ergens waar ze hem slecht behandelden. Hoewel…. Waarom wist hij niets meer. Hij werd verward, dacht diep na en ging even zitten…

Het was 5 minuten later, en hij durfde het aan om naar de deur te lopen. Hij voelde aan de kruk, die ijskoud was. Een huivering trok door zijn lichaam, maar hij zette door. Omdat hij naakt was zorgde hij ervoor dat alleen zijn hoofd om de rand van de deur zou komen. Hij drukte de kruk omlaag, en de deur ging langzaam open.

Achter de deur lag een erg lange gang. Aan het eind zat weer een deur, en om de zoveel meter zat er aan elke kant een deur. Het deed hem ergens aan herinneren, maar hij wist niet waaraan. Er liep helemaal niemand in de gang. Hij liep langzaam de gang op, en keek door de raampjes in de deuren…

Wat hij zag deed hem schrikken. In kamer 180 zat een meisje, helemaal in een kamer met kussens, ze rende wild rond, schreeuwend, maar hij hoorde niet wat ze zei. De kamer ernaast, 181, was bezet door een oude man. Die zat stil op een stoel. Heel stil. Hij bewoog niet. Zijn ogen waren gericht op iets wat hij niet door het raampje kon zien. De man keek erg levenloos, een beetje bedroefd. De oude man leek hem te horen, want ineens keek hij naar het raampje. Hij schrok, maar merkte toen dat de oude man niet kon kijken, hij had geen ogen meer. De oude man begon te praten, erg lang, maar hij hoorde het niet. Hij voelde voorzichtig aan de deur. Die was op slot, en de man keek eens goed naar de deur. Onder het nummer, 181, stond de naam van de man. August Von Schermer. Er stond een klein tekentje achter, een vierkantje, met erin heel klein een puntje. Hij probeerde op het puntje te drukken, maar het haalde niets uit. De deur bleef dicht, en hij liep moedeloos verder. Hij probeerde elke deur, en alleen die van zichzelf, en die van de enige lege kamer gingen open. In de lege kamer stond net als in zijn kamer een bed en een oude klok. De klok daar gaf 25 over 12 aan, dus die zou ongeveer gelijk moeten lopen met zijn klok.

Hij noemde het al zijn klok, en dacht ineens na, zijn naam….

Hoe heette hij….

Hij wist zijn naam niet. Hij rende terug, en keek naar het plaatje bij zijn deur. Hij zag dat er wel iets stond, en toen hij dichterbij kwam las hij de tekst Zijn kamer had nummer 1. Zijn gezicht werd bleek, heel bleek. Hij werd bang, en keek nog een keer goed of het er wel echt stond. Er stond…..

Verlaten, zomaar alleen en verlaten… 

01 – Red Lips

•september 2, 2008 • Laat een reactie achter

Sparkling shining red lips….


 

Every time your heart beats… It feels like it’s going out of your body, fleeing away from your soul.

Trying to make the impossible possible, feelings like you can’t resist it, feelings of love, and feelings of hate…

How endless are the dreams of the poor, how short those of the rich and what will the wise men do?

Are they here for fun, or are they here with purpose, no-one knows the truth about that….


 

Hij ging op de rand van zijn bed zitten, terwijl hij voelde dat zijn bodem begon weg te vallen. Hij had uren op dat bed gelegen, probeerde zich te herinneren wat het was, hoe hij terechtkwam in het bed.

 

Hij voelde zich alleen

 

Voelde zich verlaten….

 

De deur kraakte zacht, hij vroeg zich af wat er toch achter zat. Zijn nieuwsgierigheid wakkerde op, en flakkerde ook weer weg toen hij voelde dat het koud was, om zonder deken te lopen… hij was naakt, had geen kleding om zijn lijf.

Hij ging liggen, en dacht na. Zijn laatste herinnering was, dat hij in een café stond, een eenzaam café, aan de rand van een vervallen stadje. Het regende en hij was moe, waarvan weet hij niet. Hij liep naar het café en vroeg daar om een whisky, en dacht na, of hij zou vragen voor een hotel, of dat hij verder zou rijden. De barman zag hem, en voelde met hem mee alsof hij de gedachten kon lezen. Er kwam een blonde vrouw via een deurtje achter de barman vandaan. Ze kwam naar me toe, en leek, net als de barman mijn gedachten te kunnen lezen. Ik was zo alleen…

Ze keek me aan, en het enige wat mij opviel waren haar donkerbruine ogen, die mij op een bepaalde manier liefdevol, maar tegelijkertijd ook bedroefd, alsof ze zich schaamde, aankeken.

Hij vroeg haar wat ze kwam doen, ze antwoordde dat ze hier woonde, en dat het laat was, en ze niets te doen had. Hij voelde met haar mee, het was een band, hij had ook niets te doen, liep door het leven als een waanzinnige.

In een bui van gulheid bood hij haar een drankje aan. Zij lachte, een heldere, volle lach, en hij bewonderde haar felrode lippen… Ze waren mooi, zo mooi dat hij in zijn gedachten ze al op zijn lippen voelde, heel zachtjes, als een gestolen kus, maar toen hij, als uit een droom, opkeek zat ze met een opgetrokken wenkbrauw te kijken naar hem. Hij verontschuldigde zich, maar zij lachte en het maakte al niet meer uit….

Het gesprek kabbelde langzaam, zoals je soms voelt alsof je een bent, maar er niet de vinger erop kunt leggen en daarom maar vertelt wat je momenteel bezighoudt. De man zei niet veel over zichzelf, hij reageerde meer op haar verhalen. Ze had een prettige, zelfs een diepe stem, bijna mannelijk, die prettig in het gehoor lag. Je voelde als het ware haar warme innerlijk, en het leek alsof zij je met woorden omhelsde, je een beetje van die warmheid probeerde te geven.

Hij droomde weg, haar stem hield hem in die hogere sferen, zij merkte het niet, en Hij kwam terug, schrok een beetje van zijn gedachten en schaamde zich. Het maakte niet uit, zij sprak verder. Hij knikte, nam een slok whisky, en vroeg haar ineens: “Voel jij je wel eens verlaten?”. Zij schrok, keek hem aan met grote ogen, wist niet wat ze moest zeggen. Hij voelde dat hij haar had, hij had haar in zijn tang, zijn ergste droom werd bewaarheid, hij kon het niet laten om toch altijd mensen pijn te doen. Hij probeerde het goed te maken, maar de vrouw keek hem nog bedroefder aan dan toen ze naast hem kwam zitten.

Ze stond op, en liep weg, de deur door. Ze zei niet eens gedag meer tegen hem.

Hij voelde zich alleen.

 

 

Voelde zich….. verlaten….